Het geluid van zaken doen

Het is inmiddels 40 jaar geleden dat ik voor het eerst in aanraking kwam met de muziek van David Byrne. Beter gezegd: het werk van The Talking Heads. Of met één van de rode draden die daarbij zichtbaar werd: Brian Eno.

Niet alleen in de Talking Heads muziek, maar ook in de muziek van David Bowie en van Eno zelf. Of Devo en Robert Fripp en nog later Lol Coxhill. Dit soort muziek ontdek je via vrienden. In dit specifieke geval was dat een groep bouwkunde studenten. Hoewel ik begreep dat Brian Eno iets had met Architectuur, hij schreef niet voor niets Music for Airports, was mij onduidelijk hoe die link te rijmen viel met David Byrne. Byrne liet de recensie- en promotie-exemplaren van de beroemdste plaat van Talking Heads ‘Remain In Light’ uit 1980, vergezeld gaan van een lijstje met een vijftal boektitels, waarvan 2 titels over architectuur. Dat werd me duidelijk toen ik begon met lezen in Song and Circumstance – The Work of David Byrne from Talking Heads to the Present van Sytze Steenstra. Een boek door Byrne zelf beschreven als Nauwgezet Onderzocht en Griezelig Juist.

Song and Circumstance gaat uit van chronologisch biografisch materiaal, maar is vooral een geschiedenis van de ideeën en concepten die ten grondslag liggen aan het werk van David Byrne. Voor de goede orde: Byrne is niet alleen zanger, tekstschrijver en musicus, maar ook kunstenaar, fotograaf, filmmaker, ontwerper, auteur en filosoof. Het is niet vreemd dat voor het juiste perspectief op Byrne’s werk een filosoof nodig was. Bijzonder is dat deze filosoof, Sytze Steenstra, uit Nederland komt.

David Byrne studeerde aan de Rhode Island School of Design, tevens de plek waar hij zijn bandgenoten ontmoette. Door aan een kunstacademie te studeren zet je als musicus andere tonen en accenten, dan wanneer je aan een conservatorium zou studeren. Het verschijnsel staat niet op zichzelf. Ook David Bowie studeerde op de kunstacademie voor hij de muziek in ging. Het levert steevast een andere kijk op conceptontwikkeling op en een andere insteek qua imago en marketing. Vooral dat laatste is bij Byrne heel duidelijk te volgen en te onderscheiden. De conceptuele aanpak van Byrne is van het begin af aan daardoor heel anders dan gebruikelijk geweest. Werd in de gemiddelde popsong tot dat moment een personage opgevoerd dat over de liefde zong, in Byrne’s teksten komen totaal andere personages of onderwerpen aan bod. Of zoals Gijsbert Kamer in Hoe David Byrne mijn leven veranderde schreef: ‘kom daar maar eens om vandaag de dag. De popmuziek is, zoals dat met een goed Nederlands woord heet, ‘selfreferential’ geworden. Muzikanten verwijzen vooral naar andere muziek maar zelden naar boeken, films of andere kunst. Wanneer dat wel gebeurt, lopen ze het risico voor pretentieus te worden uitgemaakt.’

Song and Circumstance is een overzicht van het uitgebreide en heel diverse werk van de New Yorkse kunstenaar David Byrne (1952), met nadruk op de conceptuele en theoretische achtergrond van dat werk. Byrne heeft een uitgebreid en zeer heterogeen oeuvre gemaakt. In de jaren ’70 en ’80 werd Byrne wereldberoemd als zanger en artistiek leider van de popgroep Talking Heads; daarnaast werkte hij samen met vooraanstaande kunstenaars als theatermaker Robert Wilson, beeldend kunstenaar Joseph Kosuth, theatergroepen Mabou Mines en de Wooster Group, componist Brian Eno en vele anderen. Byrne regisseerde films en een antropologische documentaire, werkte mee aan theaterprojecten, hij exposeert fotowerk, maakt kunstboeken, werkt als curator van exposities en beheert een eigen muzieklabel, Luaka Bop, dat de wereldwijde diversiteit van de hedendaagse popmuziek wil laten horen. Byrne gebruikt geen van deze kunstvormen als middel voor individuele expressie, maar maakt steeds een Gesamtkünstwerk, een ontmoetingsplaats van uiteenlopende vormen van artistieke representatie. En hoewel zijn werk functioneert in de populaire massamedia, waar ieder product, of het nu een filmscript is, een videoclip of een top 40-liedje, moet voldoen aan strenge formele eisen van eenheid en herkenbaarheid, slaagt Byrne er vaak in om toch methoden toe te passen die zijn ontwikkeld in de conceptuele kunst en in het performance-theater. Juist in de vermaaksindustrie, waar aan conventies angstvallig wordt vastgehouden, is hij erin geslaagd te experimenteren met de geldende mimetische conventies. Hij heeft bovendien gebruik gemaakt van een breed scala van artistieke methodes en wetenschappelijke inzichten om een reflexief perspectief te ontwikkelen op kunst en representatie in de breedste zin van het woord.

Het bovenstaande is een belangrijke reden waarom het werk van Byrne interessant is voor ontwerpers, reclamemakers, multimedia artiesten, communicatie experts en natuurlijk voor musici. Song and Circustance is een filosofische verkenning van het werk van David Byrne op het kruispunt van massamedia, conceptuele kunst en performance theater. Het mag duidelijk zijn dat een boek met een dergelijke diepgaande scope niet binnen het bestek van een blogposting besproken kan worden. Desondanks wil ik aan de hand van een aantal in het Nederlands vertaalde citaten uit een voorloper van het boek, ‘Wij zijn het gedruis tussen zenders’, het belang van het boek schetsen aan de hand van tekstuele citaten. 

Terwijl de Talking Heads in het begin van hun loopbaan de rituelen van rockmuziek (gitaar- en drumsolo’s, overdreven poses, flitsende belichting) angstvallig vermeden, citeerde Byrne later in toenemende mate muzikale rituelen uit verschillende culturen, zowel uit de V.S. (met name de evangelische televisiedominees) als met name uit West-Afrika. Om de Afrikaanse polymetrische muziek te kunnen nabootsen werkte hij ook samen met etnomusicoloog John Chernoff, die in Nigeria was opgeleid tot traditioneel drummer. Byrne en Chernoff schreven samen songs en muziek voor een ballet.

Byrne’s belangrijkste film is True Stories uit 1986, een speelfilm waarin hij werk van de artistieke avant-garde combineert met voorbeelden van performance uit het dagelijks leven. Aan de film werd meegewerkt door Meredith Monk en Spalding Grey (van de Wooster Group). Byrne citeert bovendien uit werk van Robert Wilson en het Judson Dance Theater. Als alledaagse vormen van performance toont de film onder andere een modeshow in een winkelcentrum, televisie-soaps, karaoke in een disco, een parade. True Stories is een informeel, collectief Gesamtkünstwerk, een film over de plaats van nabootsing en theater in het dagelijks leven. Een rode draad door Byrne’s werk is zijn belangstelling voor rituelen en theatervormen uit andere culturen, een belangstelling die hij deelt met andere makers van performancetheater.

Andere voorbeelden van culturele uitwisseling zijn Byrne’s samenwerking met een Latin orkest, soundtracks die hij maakte voor een aantal documentaires over niet-Westerse kunstenaars en zijn muzieklabel Luaka Bop. Dit label brengt popmuziek uit onder andere Brazilië, Cuba, Angola, Algerije, India en Japan onder de aandacht van een Westers publiek. Byrne zoekt daarbij niet naar authentieke muziek die niet door Westerse pop is beïnvloed, maar juist naar muzikanten die contrasterende invloeden uit verschillende tradities verwerken, en zodoende afsteken tegen de eentonige hoofdstroom van de popmuziek.

Door jaarverslagen van grote ondernemingen, reisfolders en management- en self-improvement goeroes te imiteren en uit te vergroten, toont Byrne de pogingen om zelfs de meest routineuze commercie in een transcendent en inspirerend licht te plaatsen. ‘The New Sins’ Byrne’s bijdrage aan de Biënnale van Valencia in 2001, lijkt qua tekst en vormgeving op een catechismus. In foto’s en tekst speelt Byrne hier met het idee dat godsdienstige symbolen en mythen de chaotische werkelijkheid vervalsen en desondanks onmisbaar blijken.

Byrne gebruikt het werk van Jung als een hypothese die de vergelijkingen tussen vormen van enthousiasme en rituele bezetenheid in diverse culturen aanmoedigt en structureert. Als aanvulling hierop heeft Byrne uit sociobiologisch onderzoek geciteerd, waarin door onderzoekers R. Fox en L. Tiger het bestaan van een menselijke biologische grammatica wordt gepostuleerd. Zo’n biogrammatica zou ten grondslag liggen aan alle menselijke culturen, wat helpt te verklaren dat mensen zich betrekkelijk gemakkelijk kunnen verplaatsen in andere culturen; er zouden biologische mechanismen tot uitdrukking kunnen komen in allerlei vormen van cultureel gedrag.

De Wooster Group presenteert een door montage verdichte vorm van realisme, waarbij de ingrijpende stilering van de waargenomen werkelijkheid door de massamedia wordt benadrukt. In het werk van de Wooster Group wordt met alle mogelijke theatrale middelen onderzocht hoe zulke hallucinerende stileringen deel uitmaken van de historische werkelijkheid. De loopbaan van Laurie Anderson, tenslotte, vertoont velerlei raakvlakken met die van Byrne. Anderson’s werk, met name haar voorstelling United States laat zien hoe de mogelijkheid om het bestaan in een coherent levensverhaal vorm te geven wordt ondermijnd in een samenleving die zichzelf voortdurend herdefinieert aan de hand van de laatste technologische ontwikkelingen. Tegelijkertijd bieden de elektronische media ongekende mogelijkheden om verhalen en rituelen uit te wisselen en opnieuw te monteren. Twee voorbeelden kunnen het bovenstaande verduidelijken. In een liedtekst die hij schreef voor Robert Wilson’s The Knee Plays, getiteld The Sound of Business beschrijft Byrne een alledaagse autorit: ‘Ze reden in zuidelijke richting op de snelweg. Voor zaken naar een andere stad, groter dan de stad die achter hen lag. Zaken werden gedaan tijdens kantooruren, in beide steden. Deze rit gold ook als zakelijk. Het gevoel andere auto’s in te halen was ook zakelijk: het gevoel van zakendoen, het gevoel langzaam te drijven door een veld van bewegende voertuigen. Dit was de ware snelheid: de snelheid van zaken. Let op de cijfers op de snelheidsmeter! Een van de twee speelde met de radio, langzaam wisselend van de ene zender naar de ander, soms luisterde hij naar twee zenders tegelijk. Op een zender praatte een man met een andere man aan de telefoon. De andere zender speelde oude hits, voorgoed verdwenen…’. 

Deze doodgewone situatie is in alle opzichten bepaald door technologische media. Steden, auto’s, snelwegen, radiozenders, telefoon, radiogesprekken, popmuziek: het zijn in deze tekst allemaal overlappende media, die samen een ongrijpbaar, drijvend gevoel opleveren: de mensen in de auto zitten stil en bewegen, doen niets en werken, zijn geïsoleerd en tegelijk door en door verbonden met de maatschappij waarin ze leven.

In United States Part 1 beschrijft Laurie Anderson een andere doodgewone situatie, in So Happy Birthday ze zei dat het moeilijkste was om haar kind van drie bij te brengen wat leeft en wat niet. De telefoon gaat en ze houdt hem bij haar kind en zegt, ‘Het is je grootmoeder. Zeg eens wat tegen grootmoeder.’ Maar ze heeft een stuk plastic vast. En het kind zegt bij zichzelf, ‘Wacht eens even. Leeft de telefoon? Leeft de televisie? En die radio dan? Wat leeft er in deze kamer en wat niet?’ Helaas kan ze deze vragen niet onder woorden brengen.

Dit impliceert dat kunst en filosofie in laatste instantie niet van elkaar te onderscheiden zijn. Dit blijkt ook uit de lievelingsthema’s van de vroege romantiek: het idee dat verschillende kunstvormen zouden kunnen samengaan (tot een Gesamtkünstwerk) om culturele vernieuwing te bewerkstelligen; het verlangen naar een nieuwe mythologie, waarin zulke ideeën voor iedereen begrijpelijk zouden worden; en het mystieke idee dat in het hoogste kunstwerk uiteindelijk de hele werkelijkheid zou kunnen worden gesymboliseerd, omdat in een universele wederkerige representatie uiteindelijk ieder object, teken of interpretatie kan worden gebruikt als teken voor al het andere, wat tot universele harmonie zou leiden. De ironie die de vroege romantiek kenmerkt, komt voort uit het besef dat dit ideale kunstwerk onbestaanbaar is, evenals trouwens de ideale samenleving die op dit kunstwerk gebaseerd zou zijn.

Latour wijst erop dat wij in gemeenschappen leven waarin de samenhang in hoge mate afkomstig is van objecten die in laboratoria ontwikkeld zijn: om de technologische ontwikkelingen te kunnen volgen hebben Westerse samenlevingen zelf kenmerken van een laboratorium overgenomen. Inwoners van die samenlevingen onderhouden volgens Latour een mimetische en vaak fetisjistische relatie tot wetenschap en technologie. De moderniteit kan daarom niet alleen vergeleken worden met een enorm technologisch laboratorium, maar ook met een collectief Gesamtkünstwerk, dat zowel de massamedia en prenatale diagnostiek als intelligente bommen en voortdurend scherper gestelde wereldrecords omvat. De analyse die socioloog Pierre Bourdieu heeft gemaakt van de televisiejournalistiek laat zien hoe een machtig medium als televisie, door de druk die uitgaat van de concurrentie tussen zenders, journaals en journalisten, ondanks de ver ontwikkelde techniek vaak maar weinig ruimte overlaat voor reflectie op het vertoonde. Onbewust wordt de complexiteit en heterogeniteit van de moderne samenleving zodoende al snel gereduceerd tot een paar overzichtelijke collectieve vooroordelen. Tegelijkertijd scheppen de elektronische media, zoals antropoloog Arjun Appadurai heeft beschreven, een nieuwe wereldwijde culturele instabiliteit, nu individuen en groepen hun overtuigingen vrijelijk kunnen samenstellen uit materiaal dat zij aan verschillende culturen ontlenen. Hierdoor ontstaan nieuwe gemeenschappen met geïmproviseerde en hybride identiteiten, die een veelheid aan nieuwe, onderling tegenstrijdige sociale bewegingen mogelijk maken.

Tegen deze achtergrond verschijnt het werk van David Byrne als exemplarisch, omdat het dergelijke ontwikkelingen bewust en consequent heeft verwerkt. Het vormt een voorbeeld van mimetische reflexiviteit, door steeds te laten zien hoe de hedendaagse authentieke ervaring doordrenkt is van modellen die worden aangereikt door de massamedia. Dat maakt de ervaring niet inauthentiek, maar stelt wel hogere eisen aan de reflexiviteit. Byrne’s oeuvre bevat een poëtica van de populaire massamedia. De massamedia, die in belangrijke mate moderne culturen vormgeven, kunnen volgens deze poëtica in principe een vermogen tot reflectie en zelfkritiek ontwikkelen, en daardoor een polyattentivenessontwikkelen: een veelzijdige gevoeligheid voor de veelvormige werkelijkheid. Byrne’s positie op het kruispunt van de massamedia, conceptuele kunst en performance-theater biedt bijzondere mogelijkheden om de ervaring van een steeds meer gemediatiseerde werkelijkheid te begrijpen. 

Song and Circumstanceis een duizelingwekkend boek, maar wel eentje waar je fluitend mee op inspiratietocht gaat. Als dit je aanspreekt lees dan ook How Music Works van David Byrne zelf, een onovertroffen analytisch verslag van hoe het allemaal zo gekomen is en hoe het verder gaat.

The Sound of Business

It has been 40 years since I first came into contact with the music of David Byrne. In other words, the work of The Talking Heads. Or with one of the red threads that became visible: Brian Eno.

Not only in the Talking Heads music but also in the music of David Bowie and Eno himself. Or Devo and Robert Fripp and later Lol Coxhill. You discover this kind of music through friends. In this specific case, it was a group of architecture students. Although I understood that Brian Eno had a thing for Architecture, he wrote Music for Airports for a reason, it was unclear to me how this link could be reconciled with David Byrne. Byrne accompanied the review and promotional copies of Talking Head’s most famous 1980 album “Remain In Light” with a list of five book titles, including 2 titles on architecture. That became clear to me when I started reading Song and Circumstance – The Work of David Byrne from Talking Heads to the Present by Sytze Steenstra. A book described by Byrne himself as Meticulously Researched and Creepy Right.

Song and Circumstance is based on chronological biographical material but is above all a history of the ideas and concepts that underlie David Byrne’s work. For the record: Byrne is not only a singer, lyricist, and musician, but also an artist, photographer, filmmaker, designer, author, and philosopher. It is not surprising that the correct perspective on Byrne’s work required a philosopher. What is special is that this philosopher, Sytze Steenstra, comes from the Netherlands.

David Byrne studied at the Rhode Island School of Design, also the place where he met his bandmates. By studying at an art academy, you as a musician set different tones and accents than if you were to study at a conservatory. The phenomenon is not an isolated one. David Bowie also studied at art school before entering music. It invariably produces a different view of concept development and a different approach in terms of image and marketing. The latter in particular is very clear to follow and distinguish at Byrne. As a result, Byrne’s conceptual approach has been very different than usual from the outset. Until then, in the average pop song, a character was performed who sang about love, Byrne’s lyrics deal with completely different characters or subjects. Or as Gijsbert Kamer wrote in How David Byrne Changed My Life: “Just come over to that today. Pop music, as it is called with a good Dutch word, has become “self-referential”. Musicians mainly refer to other music, but rarely to books, films, or other art. When they do, they run the risk of being labeled pretentious. “

Song and Circumstance is an overview of the extensive and very diverse work of the New York artist David Byrne (1952), with an emphasis on the conceptual and theoretical background of that work. Byrne has produced an extensive and very heterogeneous oeuvre. In the 1970s and 1980s, Byrne became world-famous as the singer and artistic director of the pop group Talking Heads; he also collaborated with prominent artists such as theater maker Robert Wilson, visual artist Joseph Kosuth, theater groups Mabou Mines and the Wooster Group, composer Brian Eno and many others. Byrne has directed films and an anthropological documentary, collaborated on theater projects, exhibits photographic work, creates art books, curates exhibitions, and runs his music label, Luaka Bop, which aims to showcase the global diversity of contemporary pop music. Byrne does not use any of these art forms as a means of individual expression, but always creates a Gesamtkünstwerk, a meeting place of various forms of artistic representation. And although his work functions in the popular mass media, where every product, be it a film script, a video clip, or a top 40 song, must meet strict formal requirements of unity and recognisability, Byrne often succeeds in applying methods developed in conceptual art and performance theater. It is precisely in the entertainment industry, where conventions are scrupulously adhered to, that he has succeeded in experimenting with the prevailing mimetic conventions. He has also used a wide range of artistic methods and scientific insights to develop a reflexive perspective on art and representation in the broadest sense of the word.

The above is an important reason why Byrne’s work is of interest to designers, advertisers, multimedia artists, communication experts, and of course musicians. Song and Circumstance is a philosophical exploration of David Byrne’s work at the crossroads of mass media, conceptual art, and performance theater. It should be clear that a book with such an in-depth scope cannot be discussed within the scope of a blog post. Nevertheless, based on several quotations translated into Dutch from a predecessor of the book, “We are the noise between channels”, I would like to outline the importance of the book employing textual quotes.

While the Talking Heads anxiously avoided the rituals of rock music early in their careers (guitar and drum solos, exaggerated poses, flashy lighting), Byrne later cited increasingly musical rituals from different cultures, both from the USA. (especially the evangelical television ministers) and especially from West Africa. To simulate African polymetric music, he also collaborated with ethnomusicologist John Chernoff, who was trained as a traditional drummer in Nigeria. Byrne and Chernoff also wrote songs and music for ballet together.

Byrne’s most important film is True Stories from 1986, a feature in which he combines work of the artistic avant-garde with examples of performance from everyday life. Meredith Monk and Spalding Gray (of Wooster Group) collaborated on the film. Byrne additionally quotes from work by Robert Wilson and the Judson Dance Theater. As everyday forms of performance, the film shows a fashion show in a shopping center, television soaps, karaoke in a disco, a parade. True Stories is an informal collective Gesamtkünstwerk, a film about the place of imitation and theater in everyday life. A common thread running through Byrne’s work is his interest in rituals and theatrical forms from other cultures, an interest he shares with other makers of performance theater.

Other examples of cultural exchange include Byrne’s collaboration with a Latin orchestra, soundtracks he made for several documentaries about non-Western artists, and his music label Luaka Bop. This label brings pop music from Brazil, Cuba, Angola, Algeria, India, and Japan to the attention of a Western audience. Byrne is not looking for authentic music that is not influenced by Western pop, but rather for musicians who incorporate contrasting influences from different traditions and thus contrast with the monotonous mainstream of pop music.

By imitating and amplifying corporate annual reports, travel brochures, and management and self-improvement gurus, Byrne demonstrates attempts to put even the most routine of commerce in a transcendent and inspiring light. The New Sins Byrne’s contribution to the 2001 Valencia Biennale resembles a catechism in text and design. In photographs and text, Byrne here plays with the idea that religious symbols and myths distort chaotic reality and nevertheless prove indispensable.

Byrne uses Jung’s work as a hypothesis that encourages and structures the comparisons between forms of enthusiasm and ritual obsession in various cultures. In addition to this, Byrne has cited from sociobiological research in which researchers R. Fox and L. Tiger postulate the existence of human biological grammar. Such biogrammar would underlie all human cultures, helping to explain that humans can move relatively easily into other cultures; biological mechanisms could be reflected in all kinds of cultural behavior.

The Wooster Group presents a form of realism condensed by montage, emphasizing the profound stylization of perceived reality by the mass media. The work of the Wooster Group examines with all possible theatrical means how such hallucinatory stylizations form part of historical reality. Finally, Laurie Anderson’s career has many things in common with Byrne’s. Anderson’s work, especially her show United States, shows how the ability to shape existence in a coherent life story is undermined in a society that is constantly redefining itself with the latest technological advances. At the same time, electronic media offer unprecedented opportunities to exchange and re-edit stories and rituals. Two examples can clarify the above. In a song he wrote for Robert Wilson’s The Knee Plays entitled The Sound of Business, Byrne describes an everyday car journey: “They were driving south on the highway. On business to another city, bigger than the city behind them. Business was conducted during office hours, in both cities. This ride was also considered business. The feeling of overtaking other cars was also business: the feeling of doing business, the feeling of drifting slowly through a field of moving vehicles. This was the true speed: the speed of things. Pay attention to the numbers on the speedometer! One of the two played with the radio, slowly switching from one station to another, sometimes listening to two stations at the same time. On a transmitter, a man was talking to another man on the phone. The other channel played old hits, gone forever… “.

This ordinary situation is determined in every way by technological media. Cities, cars, highways, radio stations, telephones, radio calls, pop music: in this text they are all overlapping media, which together create an elusive, floating feeling: the people in the car sit still and move, do nothing and work, are isolated and at the same time connected through and through with the society in which they live.

In United States Part 1, Laurie Anderson describes another ordinary situation, in So Happy Birthday she said that the hardest part was teaching her three-year-old what is alive and what is not. The phone rings and she holds it up to her child and says, “It’s your grandmother. Tell Grandmother. “But she’s holding a piece of plastic. And the child says to himself, “Wait a minute. Is the phone alive? Is the television set alive? What about that radio? What’s going on in this room and what’s not? “Unfortunately, she cannot put these questions into words.

This implies that art and philosophy are ultimately indistinguishable from each other. This is also evident from the favorite themes of early Romanticism: the idea that different art forms could come together (into a Gesamtkünstwerk) to bring about cultural renewal; the desire for a new mythology, in which such ideas would become comprehensible to all; and the mystical idea that in the supreme work of art ultimately all of reality could be symbolized, because in a universal reciprocal representation any object, sign, or interpretation could ultimately be used as a sign for everything else, leading to universal harmony. The irony that characterizes early Romanticism comes from the realization that this ideal work of art is non-existent, as well as the ideal society that would be based on this work of art.

Latour points out that we live in communities in which cohesion comes largely from objects developed in laboratories: to keep up with technological developments, Western societies have themselves adopted characteristics of a laboratory. Inhabitants of these societies maintain a mimetic and often fetishistic relationship to science and technology, according to Latour. Modernity can therefore be compared not only to a huge technological laboratory but also to a collective Gesamtkünstwerk, which includes mass media and prenatal diagnostics as well as intelligent bombs and constantly sharpened world records. The analysis that sociologist Pierre Bourdieu has made of television journalism shows how a powerful medium such as television, due to the pressure exerted by the competition between broadcasters, newsreels, and journalists, often leaves little room for reflection on what is shown, despite the highly developed technology. Subconsciously, the complexity and heterogeneity of modern society is thus quickly reduced to a few manageable collective prejudices. At the same time, as anthropologist Arjun Appadurai has described, the electronic media is creating a new global cultural instability as individuals and groups can freely assemble their beliefs from the material they derive from different cultures. This creates new communities with improvised and hybrid identities, enabling a multitude of new, mutually contradictory social movements.

Against this background, David Byrne’s work appears to be exemplary, as it consciously and consistently incorporated such developments. It is an example of mimetic reflexivity, by constantly showing how the contemporary authentic experience is permeated by models provided by the mass media. This does not make the experience inauthentic, but it does place higher demands on reflexivity. Byrne’s body of work contains a poetics of the popular mass media. According to these poetics, the mass media, which largely shapes modern cultures, can in principle develop a capacity for reflection and self-criticism, and thereby develop a polyattentiveness: a multifaceted sensitivity to the multiform reality. Byrne’s position at the crossroads of mass media, conceptual art, and performance theater offers special opportunities to understand the experience of an increasingly mediatized reality.

Song and Circumstance is a dizzying book, but one that will take you on an inspirational journey. If this appeals to you, read How Music Works by David Byrne himself, an unsurpassed analytical account of how it all came about and how it continues.

6 thoughts on “Het geluid van zaken doen

  1. Willem Kars liked your post.

  2. Lluís Bussé liked your post.

  3. Leon van Bokhorst liked your post.

  4. Je blog brengt me terug in de tijd naar een spreekbeurt Engels op de middelbare school waarvoor ik het nummer ‘listening wind’ gebruikte.

  5. Blijft lekker hè, onlangs nog dubbel DVD op YT gezien met Stop Making Sense. Geweldig begin met dat lege podium https://www.youtube.com/watch?v=aaGBNul94hY

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this:
search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close