Avonturen met Cornelis Bastiaan Vaandrager. 1976-1993.


ENGLISH TRANSLATION BELOW.


Begin zeventiger jaren begaf ik mij als beginnend dichter in Amsterdamse kringen. Dit na een onvermijdelijke ontmoeting met Simon Vinkenoog. Toch voerden de gesprekken met hem mij vaak terug naar Rotterdam, de stad waar ik geboren ben. Synoniem met Rotterdams dichterschap was de schrijver Cornelis Bastiaan Vaandrager. Een Rotterdamse schrijver te zijn betekende welhaast gekweld te zijn door het bestaan. Jules Deelder scheen de enige uitzondering. Arie Gelderblom, Vaandrager en Bob den Uyl leden allen aan een vorm van ‘Weltschmerz’. Die gevoed werd door aanvallen van waanzin, harddrugsgebruik of alcohol. Vinkenoog, toch niet zuinig met Weed en LSD, hield er in ieder geval een sociaal en maatschappelijk leven op na, en een goed humeur. Hij was een graag geziene gast op lezingen, op poëzieavonden en in de media. Activiteiten waarmee hij zichzelf – naast schrijven en vertalen – in leven hield. Hij was tevens inspirator en stimulator van jonge schrijvers. Bij hem thuis aan de Weesperzijde was het een komen en gaan van bezoekers. Verder was hij omringd door vrouw en kinderen. Als Amsterdammer en wereldburger was iets als een Rotterdamse problematiek hem vreemd. Op dat moment woonde ik in Schiedam. Rotterdam leek ver weg, al was het een kwartiertje met de tram.

Omstreeks 1974 stuurde Vinkenoog me langs bij de in Schiedam wonende kunstenaar Daan van Golden, om hem de groeten te doen. Van Golden bewoonde toen nog een groot pand aan de Lange Haven. Later bleek hij dat pand ooit gedeeld te hebben met Dick Bos, een voormalige tekendocent van mij. Nu woonde hij daar met zijn vriendin Marian Carlier. Van Golden was in die tijd al internationaal bekend als kunstenaar, maar daar had ik geen weet van. Wat ik daar proefde was een heel andere sfeer dan de wereld van Vinkenoog. Hij leefde in een Aziatisch ritme, overgehouden aan zijn vele reizen. Er hing rust om hem heen en zijn gedrag was bedachtzaam en etherisch, de tegenpool van de nerveuze, elektrische geladenheid van Vinkenoog. Op deze manier breidde mijn kennissenkring zich steeds meer uit, maar Rotterdam bleef op de achtergrond.

Twee jaar later introduceerde Van Golden vrij plotseling zijn oude vriend en makker Vaandrager. Op een zaterdagmiddag, maart 1976, kwamen ze mij opzoeken in mijn gekraakte woning aan de Lange Achterweg. Cor, ongeschoren en een rijzige figuur in een zware donkerblauwe winterjas, onrustige blik in de ogen, neemt plaats in een leunstoel en valt direct in slaap. Mijn ouders, ook aanwezig bij zijn binnenkomst, gingen discreet weg na opgemerkt te hebben ‘dat het niet goed ging met die man’. Een juiste constatering. Daan vertelt me dat Cor door zijn vrouw Hetty het huis is uitgegooid en dat hij nu in de kleine nieuwe woning van Daan en Marian logeert. Dat was geen doen zo. Of er geen plek vrij is in de kraakbuurt? Die plek was er inderdaad en ook al was Cor een bizarre verschijning, zijn reputatie als beroemd schrijver zorgde er voor dat de kraakgroep een zolderetage op Laan 44 beschikbaar stelde. Met die zekerheid op zak gingen ze weg. Terwijl ze het actiecentrum passeerden zag Cor de grote etalageruit en merkte op: ‘Mooi raam Daan, kenne we best een paar wijve achter zette.’ Lachend verlieten ze de buurt.

Maandag. Even een kijkje nemen op de etage waar Cor is ingetrokken. Die week is Daan bezig met instanties te bellen om Cor aan een stipendium te helpen. Ik heb met Peter Pijpers van de Quibus, een cultureel café, gesproken over het idee om met Cor en wat andere dichters een poëzieavond te organiseren. Daarover zullen Cor en ik die middag een bespreking hebben. Het duurt lang voor hij de deur open doet. Hij beweegt onregelmatig. De zolderetage heeft als inboedel een bank en tafel zonder poten, een matras met slaapzak op de grond en een roze gordijn met groene bloemen daar omheen gedrapeerd. Aan de muur een poster met David Bowie, cadeautje van Daan. Er hangt een zware patchoeli geur. Ik breng een oude typemachine mee en een paar schoenen. De zijne waren kapot en het regent veel de laatste tijd. ‘Of we gaan?’ ‘Nog even niet, Cor moet nog even een shotje nemen’ zegtie. Het overvalt me. Ik voel me niet op mijn gemak. Voor het eerst van mijn leven zie ik dit ritueel gebeuren. Het aansteken van een kaars. Lepel met water verwarmen. Wit poeder er in, en als het opgelost is zuigt hij de vloeistof op met zijn spuit. Cor maakt de knoop van zijn mouw los en schuift de mouw op tot hoog aan zijn arm. Dan snoert hij een rubberen slang om zijn arm, die hij enerzijds vasthoudt met zijn linkerhand en anderzijds met zijn tanden. Dan injecteert hij met zijn rechterhand, zorgvuldig en deskundig. Het zweet breekt hem uit en met een zucht en een wild armgebaar maakt hij duidelijk dat het gebeurd is. ‘Ziezo, spulle opruime en klaar. Laten we gaan joh’, zegt Cor. Ik sta er nog enigszins verbouwereerd bij. Had mijn maag voelen omdraaien. Ik bleef er toch naar kijken, begreep dat ik naïef was en hij ‘anders dan ik gewend ben’. Wij op weg.

Cor klaagt over de schoenen. Ze passen wel, maar het doet hem denken aan vroeger. Van zijn ouders moest hij altijd oude schoenen afdragen. Daar heeft hij nou nog last van in zijn rug. We lopen over de Hoogstraat en komen langs boekhandel Hanou. Cor zegt dat die geen boeken van hem hebben. Dat ze die ook niet willen verkopen. Hij zegt dat we daar vannacht maar eens een steen door de ruit moeten gaan gooien. Ik huiver. Even later zijn we bij de Quibus. Cor is in het gesprek met Peter Pijpers opmerkelijk timide. Verlegen vraagt hij of een voorschot kan krijgen. Dat kan. Het is meteen het einde van ons samenzijn die dag. Cor heeft nog wat te regelen en zegt dat hij later zal langskomen.

De volgende dag staat Cor laat in de middag voor mijn deur. Hij heeft een elpee van David Bowie voor me bij zich, als dank voor de hulp. Hij bekijkt mijn grafische ontwerpen en leest daarna in mijn gedichten en proza. Hij vindt dat er goede zinnen bij zitten. Ik moet wel uitkijken dat ik niet teveel in vaagheid blijf steken, net als Vinkenoog. Dat ik gebruik maak van citaten vindt hij goed, erg goed zelfs. Dode dichters zijn daar dankbaar voor, zo komen ze weer tot leven. Terwijl hij een mentholsigaret opsteekt zegt hij dat hij me wel bij zijn uitgever, De Bezige Bij, wil introduceren. Hij mompelt iets over Simon. Dat die niet moet denken dat hij alleen jonge dichters kan ontdekken. Als hij weg gaat vraagt hij de elpee van Bowie te leen om hem op te kunnen nemen, en of hij mijn exemplaar van ‘De Hef’ kan gebruiken om zich voor te bereiden op het optreden. Zelf heeft hij hem niet meer. De volgende dag vind ik een briefje van Cor met een gedicht:

In de stad van Rood Paleis, Blokken en Bint is hij / de Balzac van Zwart Nazareth / bezig met woorden en Letraset-actief / de Vroede Vaderen kijken oogluikend toe / misschien iets voor De Bij. – C.B. Vaandrager (Schiedam 1976).

Die avond hoor ik van Frank de Koning, een mede-Laan-bewoner, een hilarisch verhaal. Hoe Cor eerder die week een verzameling platen had geleend om op te nemen. Als ik er bij nadenk weet ik zeker dat hij alleen een transistor radio had, geen cassetterecorder. Diezelfde avond belde hij aan bij Frank met de mededeling dat hij aardig in de rats zat. Dat ‘ze’ achter hem aan hadden gezeten en dat ‘ze’ die platen wilden. Dat hij die platen ergens achter een boom had neergezet en dat hij nu niet meer wist achter welke boom. Frank, Jos en de visite zijn toen nog samen met Cor gaan zoeken naar die boom. Maar ja, die vonden ze niet.

Een week later is er een feestje in de Laan. Ik sta met wat mensen buiten op straat te praten als ik mijn voormalige leraar Nederlands voorbij zie komen. Ik spreek hem aan en vertel dat zijn idool Cor Vaan bij ons in de buurt woont. Hij raakt enthousiast en vraagt honderduit. Niet vreemd want Ton de Graaf was een groot voorvechter van De Nieuwe Stijl op mijn middelbare school. Op dat moment komt Cor de hoek omstuiven. Hij heeft een grote zonnebril op en roept al van ver: ‘Koch, hé Koch, mot je wiet?’ Als hij dichterbij is gekomen haalt hij zijn grote hand uit zijn zak en geeft me met een breed gebaar een hand vol takjes, terwijl hij zegt: ‘hier!’ En weg is hij. Mijn leraar staat er verbijsterd bij. Is dat Cornelis Bastiaan Vaandrager? Voor ik het weet is ook hij verdwenen.

De poëzieavond nadert. Cor is bezig met nieuw werk dat hij zal voorlezen. Het voorstel om samen met hem naar De Bezige Bij te gaan heb ik op de lange baan geschoven. Eigenlijk durf ik amper meer met hem over straat. Laat staan dat ik hem durf te bekennen dat ik mijn twijfels heb over de introductie bij De Bij. Van Peter Pijpers hoor ik dat Cor bijna iedere avond in de Quibus zit. Als tweede voorschot mag hij op rekening drinken. Er schijnt iedere dag wel iets te gebeuren. Het mooiste verhaal is dat Cor op een bank zit, Bacardi Cola voor zich en de ene joint na de andere rokend. Om hem heen zit een horde tieners hem gade te slaan. Plots staat hij op, loopt naar de bar en vraagt om de gitaar die daar achter hangt. Hij gaat weer zitten en begint de gitaar te stemmen. Alle aandacht is nu op Cor gericht. Het stemmen duurt een hele tijd. Iedereen wacht op het moment dat ‘het’ gaat gebeuren. Dan gaat hij weer staan, loopt naar de bar en laat de gitaar weer ophangen. Ongeloof, verbijstering en dan… een daverend gelach.

Op de zondag dat de poëzieavond is gepland is Cor zoek. Hij is niet te vinden. Overal gezocht. Nergens. De avond wordt afgelast. Een jaar later zal ik de Robert Kreis Preis voor Cor in ontvangst nemen – een symbolische prijs, bestaande uit twee lege batterijen met een draadje en een single van Vader Abraham – voor de kortste performance ooit in de Quibus, omdattie niet was komen opdagen. Cor is van de aardbodem verdwenen. Hij schijnt weer in Rotterdam te verblijven. Af en toe duikt hij maanden later plotseling weer op, verlegen contact zoekend, maar het wordt niets meer in Schiedam. Van Daan hoor ik dat Cor altijd naar mij vraagt als hij hem spreekt. Als Cor hoort dat ik saxofoon speel in de New Wave Big Band Product-X wil hij ook meedoen, en verschijnt op een avond in Schiedam. In de Quibus speelt hij hartstikke vals op een gedeukte flugelhorn, tot hij eruit wordt gegooid. Ondanks de gebeurtenissen kunnen de meeste mensen nog lachen, zelfs als ze hun platen kwijt zijn. Ze zijn er zelfs een beetje trots op. In die tijd heerst er veel tolerantie en begrip. Het zijn de nadagen van de flowerpowerbeweging. De leefwijze van Cor is echter veel extremer dan wat er in ons buurtje gebeurt, maar Cor was nu eenmaal een kunstenaar. Dat Junkiegedoe had iets romantisch. Deed denken aan literaire helden als William Burroughs, Arthur Rimbaud of Jacques Vaché. Op een bepaalde manier had het iets van Dada, iets Surrealistisch, iets schandaligs en misschien was Cor een soort Futurist – kickend op de onderkant van het grote stadsleven – alle moraal aan zijn laarzen lappend. Dat wekte angst, maar ook bewondering op. In zekere zin was die authenticiteit op dat moment zijn redding, maar de goodwill die hij had begon al af te nemen. Het no-nonsense tijdperk stond voor de deur en daarmee een terugkeer naar een soort van gezond verstand. Eigenlijk had André Breton het in 1968 al zien aankomen: de tijd van het schandaal was definitief voorbij. Het incident van de poëzieavond stond niet op zichzelf. Het was zijn methode om aan geld te komen, het begon bekend te raken. Daarbij was Cor geen podiumdier als Vinkenoog of Deelder. Voor een zaal met mensen was hij verlegen en begon vaak te stamelen. Hij was meer schrijver dan performer. Optreden zoals Deelder deed vond hij verdacht: ‘hij mot niet spele maar schrijve.’ Cor vond dat Deelder zich opbrandde met zijn Theatertrip, maar waar was hij zelf eigenlijk mee bezig?

In 1977 verhuisde ik naar Rotterdam. Dat betekende een ander leven, in het teken van werk en studie. Het schrijven kwam op de achtergrond. Af en toe hoorde ik wel iets over Cor. Over psychiatrische opnames in Delta. Pogingen om af te kicken. Over een nieuwe vriendin. Soms waren de berichten goed, dan weer slecht. Ik probeerde hem nog een keer op te zoeken in de Gaffelstraat in het Oude Westen, maar hij was niet thuis. Buren schenen niets met hem te maken te willen hebben. Het enige wat er vanaf kon toen ik vroeg of hij daar woonde was: ‘ja, die kenne we.’

Ik vond hem in een snackbar, schuin tegenover Café Hoboken. In eerste instantie leek hij enthousiast door mijn komst, maar dat was omdat hij in geldnood zat en mij platen en boeken wilde verkopen. Toegegeven het was een fraaie verzameling Cult-spullen, maar toen bleek dat ik niets voor zijn handel voelde verslapte zijn aandacht. Hij herinnerde zich plots een afspraak en weg was ie. Ik verloor hem uit het oog. In 1981 hoorde ik dat hij de Anna Blaman Prijs had gekregen, meer als aanmoediging dan als bekroning. Door inzet van Hans Sleutelaar publiceerde De Bezige Bij dat jaar zijn Verzamelde Gedichten. Daarna werd het stil rond Cor. Echt stil.

Mijn nieuwe leven in Rotterdam stelde andere eisen aan mij. In de ogen van mensen die me vroeger hadden gekend had ik een metamorfose ondergaan. Ik was niet meer die ruige figuur van vroeger die Cor ‘De Balzac van Zwart Nazareth’ noemde. Ondertussen was ik wel Letraset-actief. Ik volgde een opleiding Grafisch Ontwerpen aan de Academie van Beeldende Kunsten. Toen ik daar in 1986 af kwam ontstond er opeens een hoop publiciteit rondom Cor. Het heette dat hij werkte aan een comeback. Er verschenen twee bundels dat jaar. ‘Zij het gehavend’ en ‘Metalon’. Na een hoop ellende – een verblijf in Delta en Dijkzigt, twee zelfmoordpogingen en een serie langdurige depressies – leek Cor weer ‘in beeld’. Ik ontmoette hem in de stad en hij troonde me mee naar zijn nieuwe stamcafé Fiege Met Krijn, waar hij zojuist zijn verjaardag had gevierd. Ik liet me ontvallen dat ik af en toe nog wel wat schreef, waarop hij driftig met een viltstift op een plastic stofhoes van een elpee begon te schrijven: ‘Huub, Welcome to Dep(artment) of Youth / Cor.’ Ik moest meedoen aan zijn jonge dichtersproject. Zijn plan om aanstormend talent te coachen.

Vanaf dat moment staat Cor zowat iedere dag bij me voor de deur. Ook komt hij langs met zijn vriendin Marian en een jonge huisgenoot. We praten, we dromen, we lachen, we maken Polaroids. Cor barst van de plannen. Als ik hem bezoek aan de Rochussestraat, waar hij met Marian woont, belooft hij dat hij mijn meegebrachte teksten zal lezen, maar hij komt er nooit op terug. Wel zegt hij dat we reisverhalen moeten schrijven ‘want wat die Nooteboom ken, kenne wij ook.’ Van het coachen komt niks. Op sommige dagen is Cor amper aanspreekbaar. De TV staat op MTV zonder geluid – op zijn Surinaams – hij draait platen van Iggy Pop of The Art of Noise. Cor zit achter zijn bureau, schrijft iets op, rangschikt papieren en loopt heen en weer. Ik blijf mee eten. Marian maakt Macaroni met Ketchup. Cor is wat blij met haar. Hij wil gaan stappen, mij meenemen naar Frans Vogel, naar Simon, naar Elhorst, naar Aram, naar Daan, maar ik ga niet mee. Er bekruipt me weer een gevoel, een oud gevoel en ik kan het niet tegen hem zeggen. De volgende weken blijft hij langskomen. Als ik niet thuis ben kliedert hij met zijn Edding viltstiften mijn voordeur vol met korte mededelingen. ‘Waar-wassie?’ ‘Ik-kom-terug.’ Hanenpoten met Kapitale letters, de viltstift is onuitwisbaar.

Bij het volgende bezoek heeft hij weer platen te koop en zelfs een hele kaas. Ik wil ze niet en ik heb ook geen zin om te blowen. Dat doe ik al sinds jaar en dag niet meer. Cor vindt dat ik te ‘clean’ ben geworden. ‘Je mot toch iets’ zegt hij. Ik vind dat je in het leven best zonder al die spullen kan. Over mijn laatste reeks gedichten heeft hij niks te zeggen, hij heeft ze nog niet gelezen. De volgende dag staat hij weer voor mijn deur. In vol ornaat. Hij heeft drie zonnebrillen tegelijk om zijn nek hangen, en zet de één na de ander op en af. Als ik de deur niet open doe begint hij te roepen. ‘Dat hij heus wel weet dat ik er ben en dat ik die deur moet open doen.’ Hij veroorzaakt met dat geschreeuw een heus opstootje. Kleine kinderen en oudere buurtbewoners verzamelen zich rondom deze bezienswaardigheid. Ik doe niks. Als ik later weg ga ligt er een briefje: ‘Koch, doe die deur open anders bel ik je vader.’

Vanaf die dag hoor ik niets meer. Enerzijds lucht dat me op, maar het is ook onbevredigend. Ik merk dat ik niet weet hoe ik met hem om moet gaan en ook niet met mijn eigen gevoelens. Ik kom Cor nog wel eens tegen, in De Unie of Thelonious. We mijden elkaar. Met dat Department of Youth schijnt het niets geworden te zijn. Onder de verzameling jonge dichters zaten volgens eigen zeggen veel hele of halve junkies. Ook die stelden hun debuut steeds uit. Met mij viel ook niets te beginnen. Ik was te ambivalent. En Cor zelf dan? Dat die junks op hem afkwamen had alles met zijn imago te maken, dat niets meer van doen had met de oude C.B.V..

Ik realiseerde me dat ik die oude C.B.V. ook nooit had meegemaakt. De man van ‘Leve Joop Massaker’, De Reus van Rotterdam’ en ‘De Hef’. De man met wie Hans Sleutelaar en Armando ‘De Nieuwe Stijl’ had opgezet. De man die redacteur was van bladen als ‘Proefschrift’ en ‘Gard Sivik’. De man waar Jan Wolkers, Heere Heeresma, Hans Verhagen en vooral Jan Cremer hun debuut aan te danken hadden. Het was verwarrend om te merken dat dit oude imago niet meer overeen kwam met de huidige realiteit. Dat het de Cult-zijde was die de boventoon voerde. De schaduwzijde die zijn literaire held Alexander Trocchi had beschreven in ‘Cains book’. Ook bij hem leverde dat een innerlijke strijd op. Van dat Cult-imago kwam hij niet meer af en niet alleen van het imago, ook niet van het gedrag. Dit was definitief zijn leven geworden. Eigenlijk al heel lang. Daar kon geen psychiater of maatschappelijk werker tegenop. Toch probeerde ik door die mist heen de dierbare eigenschappen van Cor te ontwaren: zijn vechtlust en originaliteit, het stuk tederheid dat hij ook in zich droeg. Dat alles werd echter keer op keer overwoekerd door het secundaire.

‘De Reus van Rotterdam’ was geschreven op Speed. Dat hele Speedgebruik was een soldatencultus uit de Tweede Wereldoorlog. Hij wist dat niet in de hand te houden. Cor vond geen grenzen. Hij leefde op een drang naar onbeperkte vrijheid. Onafhankelijk en onaantastbaar. Romantisch en onrijp. Dat is hem steeds noodlottiger geworden. Cor had overal schijt aan. Dat voelde ik vanaf het begin. Daardoor kreeg hij ook schijt aan zichzelf. Zijn stugheid maskeerde zijn onvermogen, dat lange sombere schaduwen wierp over zijn toekomst. Toch kon je op de een of andere manier niet om hem heen. Ik voelde dat hij een bepaalde richting op ging, maar ook dat ik hem hierin niet kon volgen. Dat bepaalde de gespletenheid, de patstelling.

Expositie Daan van Golden – Compositie met Rozen – in het Stedelijk Museum van Schiedam, 1989. Cor en Marian zijn opvallend aanwezig. Al proberen ze onopgemerkt te blijven. Daan vertelt laconiek dat zijn dochter Diana van het tweetal was geschrokken toen ze opeens voor de deur stonden: ‘Exhibition! Exhibition! Hier zijn we!’ Twee notoire gebruikers, Right from the Street in the Living Room. Eigenlijk heeft Daan liever niet dat ze er bij zijn, maar nu ze er zijn… Ondertussen bestoken persfotografen Cor met hun flitslichten. Hij loopt weg en komt niet meer terug. Bram Uil komt naar me toe en zegt dat er iemand naar me had gevraagd. ‘Verdorie’ hij kan er niet meer opkomen wie dat was. Ik wel, maar ik negeer het. Daan zegt dat hij boos is over het stuk dat Martin Bril in de HP over Cor heeft geschreven, waarin hij bijna meedogenloos wordt geportretteerd als de aan lager wal geraakte figuur die hij is. Natuurlijk is het waar, maar ook een rotstreek om iemand als Cor zo neer te zetten. Voor hem hoeft Cor niets meer te presteren. Hij heeft al meer dan genoeg gedaan. Eigenlijk heeft hij recht op tropenjaren. Ik ken het artikel, dat onthullend is – vooral over het gevoel dat Cor verteert ‘er niet meer bij te horen’, het isolement, een leven achter tralies. Maar wat moet je er mee?

In de tussentijd ben ik weer verhuisd. Cor blijkt in dezelfde straat als ikzelf te wonen. Ik krijg weer de neiging hem op te zoeken. Cor wil alleen maar praten als er poen komt. Omdat ik nu als ontwerper werk stel ik voor om een boekje met een paar gedichten te maken. Het komt er zelfs van dat Daan toezegt voor een illustratie te zorgen, Cor als Vince Taylor act – een bewogen, langgerekte foto ten tijde van hun prille vriendschap in de zestiger jaren. Maar het project wordt afgeblazen. Cor’s gedichten zijn onbegrijpelijk. Er valt geen touw aan vast te knopen, en ik ben geen editor. Het doet me denken aan een uitspraak over het werk van Antonin Artaud door Susan Sontag in Onder het teken van Saturnus – ‘dat het alleen maar te volgen is als je je helemaal laat meevoeren in de waanzin’ – maar dat dit niet lukt. Dat het afstotend werkt. Cor eet een paar keer mee, leent een paar Nikes en een Winterjas. Daarna hoor ik niets meer. Een maand later is hij weg uit het huis, dat door buren ‘Het Hol’ wordt genoemd, dat vol gestouwd is met het grootvuil dat hij bij de vuilnisbakken vandaan haalt. Er is brand geweest.

Heel af en toe zie ik Cor, struinend en schuifelend, op straat. Beverig langs de V&D en de Hema. Eerst nog zijn papieren en bezittingen meevoerend in een zwarte akten koffer, later in plastic tassen. Gewapend met zijn zonnebrillen, contact mijdend, ik eveneens. Als ik Daan een jaar later spreek zegt hij dat hij Cor niet meer wil zien. ‘Weet je Huub, Cor is een echte junk. Als hij langskomt gaat het alleen nog maar over geld.’ Het treft me. Als Daan niets meer met Cor te maken wil hebben, wie dan wel? Wat Hans Sleutelaar voor Cor zijn literaire werk heeft betekent, dat is Daan voor zijn privéleven, een steun en toeverlaat door dik en dun. Later bekent hij me dat hij net zo heen en weer zwalkte in zijn verbinding met Cor zoals ik dat heb ervaren.

In 1990 verschijnt nog ‘Sampleton’ – gedichten. Net als al zijn andere werk is deze bundel ‘bezorgd’ door Sleutelaar. Het doet me denken aan de rol die Allen Ginsberg heeft gespeeld in het rangschikken van de ravage waar het werk van William Burroughs uit bestond. Zonder die hulp was ook hij onverstaanbaar.

In een artikel over de documentaire ‘EXITing’, die nog in het laatste jaar van zijn leven is gemaakt, lees ik over de onwillige houding van zijn omgeving om daar aan mee te werken. Ik herken de wil om Cor te steunen en te begrijpen, met respect voor zijn verleden. Het is duidelijk dat de programmamakers hem pas kort van dichtbij kennen, zich nog niet realiseren dat die onwil van Cor’s omgeving een vermoeidheidsverschijnsel is. Cor heeft te vaak gedacht dat hij alles kon maken, maar dat was niet zo. Er bleken weldegelijk grenzen te zijn. Of hij ooit tot dat besef is gekomen blijft de vraag.

Door zijn isolement raakte hij verstrikt in zijn zelfbeelden, wist zelf ook niet meer wie of wat hij was. Hij vervreemde zich steeds meer van mensen, al vanaf het moment dat ik hem leerde kennen. Daarmee was hij buiten het leven komen te staan, als een archetype van gedoemde dichters. Baudelaire, Rimbaud, Verlaine, Vaandrager. Zonder remmen, wanhopig optimistisch, ‘Vol Speed Ahead’. Schrijven scheen belangrijker dan leven, maar het leven zelf heeft die vorm van literatuur, dat ‘onechte paradijs’, langzaam maar zeker aan flarden gescheurd. Dan blijft er niets over dan je legende te leven.

Tot het laatst schijnt hij bezig te zijn geweest met dat opsporen en vastleggen van de werkelijkheid, nu ook letterlijk lezend op kinderkopjes, lantaarnpalen en asfalt. Als laatste houvast? Die gedrevenheid heeft hij altijd gecultiveerd en vind je verwoord in een gedicht als Starpiepel uit Metalon: ‘Alle sterre werke / is hun gerade ook.’ Maar voor wie deed ie het nog? Misschien doet dat er ook niet toe. Hij schreef en kon dat niet laten. Als je de laatste foto’s van hem ziet lijkt het er op of hij ondanks het harde dagelijkse bestaan op straat een soort van vrede had gevonden. Geen plek meer om te dromen, maar de realiteit belevend met een nieuwe frisheid. Zijn rol uitgespeeld.

Op 18 maart 1992 sterft Cor Vaandrager in het Dijkzigt ziekenhuis, 56 jaar, aan een longontsteking. Cor is al begraven en herdacht in de media als ik het nieuws hoor. Ondanks de afstand die er is ontstaan voel ik me toch geraakt. Zijn plotselinge dood houdt me bezig. Het doet me ondanks alles pijn. Even lijkt het een obsessie te worden, het raadsel van een belangrijke passant. Ik lees alle artikelen die ik te pakken kan krijgen. Het zijn trieste verhalen. Over zijn veelbelovende debuut, zijn compromisloos leven, over de eeuwige come-backs, en over de onvermijdelijke aftakeling – een zelfgekozen noodlot.

Desondanks zijn er ook vrolijke noten. Cor kon soms grappig zijn met een persoonlijke humor: Frans Vogel die aanklopt bij Cor, omdat de bel het niet doet. Na enig bonken doet Cor open en zegt: ‘Ach, je moet iets doen om die No-Bell prijs te krijgen.’ Toch blijft de neiging om te zeggen: ‘Cor, Cor, Cor, kon dat nou niet anders?’ Nee, dat kon niet anders. Cor was Cor en geen ander. Een Reus? De Reus van Rotterdam? Jawel, maar geen Reus die werd geveld door The Little People, zij die beter de weg wisten naar succes. Eerder een Reus die geveld werd door de werkelijkheid achter de Mythe: het onvermogen en de eenzaamheid en daarmee de kwetsbaarheid van een Rotterdamse mens.


vaan

Adventures with Cornelis Bastiaan Vaandrager. 1976-1993.

In the early seventies, I entered Amsterdam circles as a starting poet. This after an inevitable meeting with Simon Vinkenoog. Yet conversations with him often took me back to Rotterdam, the city where I was born. The writer Cornelis Bastiaan Vaandrager was synonymous with Rotterdam’s poetry. Being a Rotterdam writer almost meant being tormented by existence. Jules Deelder seemed the only exception. Arie Gelderblom, Vaandrager, and Bob den Uyl all suffered from a form of “Weltschmerz”. It was fueled by attacks of madness, hard drug use, or alcohol. Vinkenoog, although not thrifty with weed and LSD, had at least a social and civic life, and a good mood. He was a welcome guest at lectures, poetry evenings, and in the media. Activities with which he kept himself alive – in addition to writing and translating. He was also an inspiration and stimulator for young writers. At his home on the Weesperzijde visitors were coming and going. Furthermore, he was surrounded by his wife and children. As an Amsterdammer and world citizen, something like a Rotterdam problem was foreign to him. At that time I lived in Schiedam. Rotterdam seemed far away, even if it was 15 minutes by tram.

About 1974 Vinkenoog sent me to visit the artist Daan van Golden, who lives in Schiedam, to greet him. At the time, Van Golden still lived in a large building on the Lange Haven. Later it turned out that he had once shared that building with Dick Bos, a former drawing teacher of mine. Now he lived there with his girlfriend Marian Carlier. At that time Van Golden was already internationally known as an artist, but I was not aware of that. What I tasted there was a completely different atmosphere from the world of Vinkenoog. He lived in an Asian rhythm, saved from his many travels. There was peace around him and his behavior was thoughtful and ethereal, the opposite of Vinkenoog’s nervous, electrical charge. In this way, my circle of acquaintances grew more and more, but Rotterdam remained in the background.

Two years later, Van Golden quite suddenly introduced his old friend and pal Vaandrager. On a Saturday afternoon, March 1976, they came to visit me in my squatted house on the Lange Achterweg. Cor, unshaven and a tall figure in a heavy dark blue winter coat, a restless look in his eyes, sits down in an armchair and immediately falls asleep. My parents, also present at his entrance, discreetly left after noticing “that the man was not doing well.” A correct observation. Daan tells me that Cor has been thrown out of the house by his wife Hetty and that he is now staying in Daan and Marian’s small new house. That gradually became a problem. Whether there is no free space in the squat neighborhood? That place was indeed there and although Cor was a bizarre appearance, his reputation as a famous writer ensured that the squatters group made an attic floor on Laan 44 available. With that certainty in their pocket, they left. As they passed the action center, Cor saw the large shop window and remarked: “Nice window Daan, maybe we can put a few chicks behind it.” Laughing they left the neighborhood.

Monday. Just take a look at the floor where Cor has moved in. That week Daan is busy calling authorities to help Cor with a stipend. I spoke with Peter Pijpers of the Quibus, a cultural café, about the idea of ​​organizing a poetry evening with Cor and some other poets. Cor and I will discuss this that afternoon. It takes a long time for him to open the door. He moves erratically. The attic floor has a sofa and table without legs, a mattress with a sleeping bag on the floor, and a pink curtain with green flowers draped around it. On the wall a poster with David Bowie, a present from Daan. There is a heavy patchouli scent. I’m bringing an old typewriter and a pair of shoes. His were broken and it has been raining a lot lately. “Are we going?” “Not yet, Cor has to take a shot,” he says. It takes me by surprise. I do not feel comfortable. For the first time in my life, I see this ritual happening. Lighting a candle. Heat the spoon with water. White powder in it, and when it is dissolved he draws up the liquid with his syringe. Cor unties the button on his sleeve and pushes the sleeve up to his arm. Then he puts a rubber hose around his arm, which he holds on the one hand with his left hand and on the other with his teeth. Then he injects with his right hand, carefully and expertly. He breaks into a sweat and with a sigh and a wild arm gesture he makes it clear that it has happened. “Well, clean up stuff and you’re done. Let’s go, dude, “says Cor. I am still somewhat confused. Felt my stomach turn. I kept looking at it, understood that I was naive and that he was “different from what I’m used to”. We are on the way.

Cor complains about the shoes. They fit, but it reminds him of the old days. His parents always required him to wear old shoes. He still has problems with that in his back. We walk on the Hoogstraat and pass the Hanou bookshop. Cor says they don’t have any books by him. That they don’t want to sell them either. He says we should throw a stone through the window there tonight. I shiver. A little later we are at the Quibus. Cor is remarkably timid in his conversation with Peter Pijpers. He asks shyly if he can get an advance. Which can. It is immediately the end of our being together that day. Cor still has something to arrange and says he will come by later.

The next day, Cor is at my door late in the afternoon. He brought me a David Bowie LP as a thank you for the help. He looks at my graphic designs and then reads my poems and prose. He thinks there are good sentences. I have to be careful that I don’t get stuck in vagueness too much, just like Vinkenoog. He thinks it’s good that I use quotations, very good in fact. Dead poets are grateful for that, so they come back to life. While he lights up a menthol cigarette, he says he wants to introduce me to his publisher, De Bezige Bij. He mumbles something about Simon. That he should not think that he can only discover young poets. When he leaves, he asks to borrow Bowie’s LP to record it, and if he can use my copy of “De Hef” to prepare for the gig. He no longer has it himself. The next day I find a note from Cor with a poem:

In the city of Red Palace, Blocks and Bint he is / the Balzac of Black Nazareth / busy with words and Letraset-active / the Sharp-sighted Fathers turn a blind eye / perhaps something for De Bij. – C.B. Vaandrager (Schiedam 1976).

That evening I hear a hilarious story from Frank de Koning, a fellow Laan resident. How Cor had borrowed a collection of records to record earlier that week. When I think about it, I’m sure he only had a transistor radio, not a cassette recorder. That same evening he rang Frank with the announcement that he was quite upset. That “they” had been after him and that “they” wanted those records. That he had put those records somewhere behind a tree and now he no longer knew behind which tree. Frank, Jos, and the visitors then went looking for that tree together with Cor. But yes, they did not find it.

A week later there is a party in the Laan. I’m talking to some people outside on the street when I see my former Dutch teacher pass by. I speak to him and tell him that his idol Cor Vaan lives near us. He gets enthusiastic and asks a lot. Not surprising because Ton de Graaf was a great champion of De Nieuwe Stijl at my secondary school. At that moment Cor comes around the corner. He’s wearing big sunglasses and he shouts from afar: “Koch, hey Koch, do you want weed?” When he comes closer, he takes his big hand out of his pocket and gives me a handful of twigs with a broad gesture, while he says, “Here!” And he’s gone. My teacher looks stunned. Is that Cornelis Bastiaan Vaandrager? Before I know it, he too has disappeared.

The poetry evening is approaching. Cor is working on new work that he will read. I have postponed the proposal to go to De Bezige Bij with him. I hardly dare to go out on the street with him. Let alone that I dare to admit to him that I have my doubts about the introduction to De Bij. I hear from Peter Pijpers that Cor is in the Quibus almost every evening. As a second advance, he can drink on the account. There seems to be something happening every day. The best story is that Cor is sitting on a couch, Bacardi Cola in front of him and smoking one joint after another. A horde of teenagers is around him, watching him. Suddenly he gets up, walks to the bar, and asks for the guitar hanging behind it. He sits down again and starts tuning the guitar. All attention is now on Cor. Tuning takes a long time. Everyone is waiting for the moment when “it” will happen. Then he stands up again, walks to the bar, and hangs the guitar up again. Unbelief, bewilderment, and then… thunderous laughter.

On Sunday that the poetry evening is scheduled, Cor is missing. He cannot be found. Searched everywhere. Nowhere. The evening is canceled. A year later, I will receive the Robert Kreis Preis for Cor – a symbolic prize, consisting of two empty batteries with a wire and a single by Vader Abraham – for the shortest performance ever in the Quibus, because he had not turned up. Cor has disappeared from the face of the earth. He seems to be staying in Rotterdam again. Now and then he suddenly reappears months later, shyly seeking contact, but things don’t work out in Schiedam anymore. I hear from Daan that Cor always asks about me when he speaks to him. When Cor hears that I play the saxophone in the New Wave Big Band Product-X, he also wants to participate and appears one evening in Schiedam. In the Quibus he plays out of tune on a dented flugelhorn until he is thrown out. Despite the events, most people can still laugh even when they have lost their records. They are even a little proud of it.

At that time there was a lot of tolerance and understanding. It is the twilight of the flower power movement. However, Cor’s lifestyle is much more extreme than what is happening in our neighborhood, but Cor was simply an artist. There was something romantic about that Junkie thing. Reminiscent of literary heroes like William Burroughs, Arthur Rimbaud, or Jacques Vaché. In a way, it had something of Dada, something Surreal, something outrageous and maybe Cor was some kind of Futurist – kicking the bottom of big city life – slapping all morals. That aroused fear, but also admiration. In a way, that authenticity was his salvation at the time, but the goodwill he had was already beginning to wane. The no-nonsense era was upon us and with it a return to some kind of common sense. André Breton had already foreseen it in 1968: the time of the scandal was over. The poetry night incident was not an isolated one. It was his method of getting money, it was getting known. Cor was not a stage-animal like Vinkenoog or Deelder. He was shy in front of a room full of people and often stammered. He was more of a writer than a performer. He found performing like Deelder did suspicious: “he must not play but write.” Cor thought that Deelder burned himself out with his Theater trip, but what was he doing?

In 1977 I moved to Rotterdam. That meant a different life, all about work and study. Writing faded into the background. Now and then I heard something about Cor. About psychiatric admissions in Delta. Attempts to kick the habit. About a new girlfriend. Sometimes the messages were good, then bad. I tried to visit him again in Gaffelstraat in the Old West, but he was not at home. Neighbors seemed to want nothing to do with him. The only thing that was said when I asked if he lived there was: “Yes, we know him.”

I found him in a snack bar diagonally across from Café Hoboken. At first, he seemed enthusiastic about my arrival, but that was because he needed money and wanted to sell me records and books. Admittedly, it was a fine collection of Cult stuff, but when it turned out that I didn’t like his business, his attention dropped. He suddenly remembered an appointment and he was gone. I lost sight of him. In 1981 I learned that he had received the Anna Blaman Prize, more as an encouragement than an award. Through the efforts of Hans Sleutelaar, De Bezige Bij published his Collected Poems that year. Then it became quiet around Cor. Really quiet.

My new life in Rotterdam made different demands on me. In the eyes of people who had known me before, I had undergone a metamorphosis. I was no longer that rugged figure of the past who called Cor “The Balzac of Black Nazareth”. In the meantime, I was active on Letraset. I studied Graphic Design at the Academy of Visual Arts. When I left college in 1986 there was suddenly a lot of publicity around Cor. It was said that he was working on a comeback. Two collections were published that year. “Albeit battered” and “Metalon”. After a lot of misery – a stay in Delta and Dijkzigt, two suicide attempts, and a series of long depressions – Cor seemed “in the picture” again. I met him in town and he took me to his new hangout café Fiege Met Krijn, where he had just celebrated his birthday. I let slip that I occasionally still wrote something, after which he started writing furiously with a felt-tip pen on a plastic dust cover of an LP: “Huub, Welcome to Dep(artment) of Youth / Cor.” I had to participate in his young poet project. His plan to coach upcoming talent.

From that moment on Cor is at my door almost every day. He also visits with his girlfriend Marian and a young roommate. We talk, we dream, we laugh, we make Polaroids. Cor is full of plans. When I visit him at the Rochussestraat, where he lives with Marian, he promises to read my texts, but he never returns. He does say that we should write travel stories “because what Nooteboom knows, we also know.” Coaching is nothing. On some days Cor is barely approachable. The TV is on MTV without sound – in Surinamese style – he plays Iggy Pop or The Art of Noise records. Cor sits at his desk, writes something down, arranges papers, and walks back and forth. I keep eating. Marian makes Macaroni with Ketchup. Cor is happy with her. He wants to go out, take me to Frans Vogel, to Simon, to Elhorst, to Aram, to Daan, but I’m not going with him. Another feeling comes over me, an old feeling and I can’t tell him. He will continue to visit for the next few weeks. When I’m not at home, he clogs my front door with brief announcements with his Edding felt-tip pens. “Where-was-you?” “I-come-back.” Rooster’s feet with capital letters, the felt-tip pen is indelible.

On the next visit, he will have a collection of records for sale again and even a whole cheese. I don’t want them and I don’t feel like smoking pot. I haven’t done that for years. Cor thinks I have become too “clean”. “You have to do something,” he says. I think you can do without all that stuff in life. He has nothing to say about my last series of poems, he has not read them yet. The next day he is at my door again. In full dress. He wears three sunglasses around his neck at the same time, putting them on and off one after the other. If I don’t open the door he starts calling. “That he knows I’m here and that I have to open that door.” With that screaming, he causes a real disturbance. Small children and older residents gather around this attraction. I do nothing. When I leave later, there’s a note: “Koch, open that door or I’ll call your father.”

From that day on I hear nothing more. On the one hand, that relieves me, but it is also unsatisfactory. I find I don’t know how to deal with him or my feelings. I sometimes run into Cor, in Café De Unie or Jazzclub Thelonious. We avoid each other. It seems to have come to nothing with that Department of Youth. The collection of young poets claimed to include many whole or half junkies. They also kept postponing their debut. Nothing could be done with me either. I was too ambivalent. What about Cor himself? The fact that those junkies came to him had everything to do with his image, which had nothing to do with the old C.B.V ..

I realized that I never had known the old C.B.V.. The author of “Long live Joop Massaker”, The Giant of Rotterdam “and” De Hef “. The man with whom Hans Sleutelaar and Armando had set up “De Nieuwe Stijl”. The man who edited such magazines as “Dissertation” and “Gard Sivik”. The man to whom Jan Wolkers, Heere Heeresma, Hans Verhagen, and especially Jan Cremer owed their debut. It was confusing to find that this old image no longer matched today’s reality. That it was the Cult side that predominated. The dark side that his literary hero Alexander Trocchi had described in “Cains book”. This also resulted in an inner struggle for him. He never got rid of that Cult image and not only the image, nor the behavior. This had become his life. Actually for a long time. No psychiatrist or social worker could compete with that. Yet through that fog, I tried to discern Cor’s precious qualities: his fighting spirit and originality, the piece of tenderness he also carried in him. However, all of this was overgrown time and again by the secondary.

“The Giant of Rotterdam” was written on Speed. That whole Speed ​​custom was a World War II soldier cult. He could not control that. Cor found no limits. He lived on a drive for unlimited freedom. Independent and untouchable. Romantic and immature. That has become increasingly fatal for him. Cor was sorry about everything. I felt that from the start. That also made him shit on himself. His stiffness masked his inability, which cast long dark shadows over his future. Yet somehow you couldn’t get around him. I felt that he was heading in a certain direction, but also that I could not follow him in this. That determined the split, the stalemate.

Exhibition Daan van Golden – Composition with Roses – in the Stedelijk Museum of Schiedam, 1989. Cor and Marian are strikingly present. Although they try to stay unnoticed. Daan laconically explains that his daughter Diana was shocked by the pair when they suddenly appeared at the door: “Exhibition! Exhibition! Here we are! “Two notorious users, Right from the Street in the Living Room. Daan would rather not have them there, but now that they are here… Meanwhile, press photographers bombard Cor with their flashlights. He walks away and doesn’t come back. Artist Bram Uil comes up to me and says someone asked for me. “Damn it” he can’t remember who that was. I do, but I ignore it. Daan says he is angry about the piece that Martin Bril has written about Cor in HP, in which he is portrayed almost ruthlessly as the depraved figure that he is. Of course, it is true, but also a bad trick to portray someone like Cor like that. For him, Cor no longer has to achieve anything. He’s already done more than enough. He is entitled to tropical years. I know the article, which is revealing – especially about the feeling that is consuming Cor “no longer belonging”, the isolation, a life behind bars. But what should you do with it?

In the meantime, I moved again. Cor turns out to live in the same street as me. I feel like seeing him again. Cor only wants to talk when money comes. Since I now work as a designer, I propose to make a booklet with a few poems. It even happens that Daan agrees to provide an illustration, Cor as a Vince Taylor act – an eventful, elongated photo at the time of their early friendship in the sixties. But the project is being canceled. Cor’s poems are incomprehensible. There’s no telling, and I’m not an editor. It reminds me of a statement about the work of Antonin Artaud by Susan Sontag in Under the Sign of Saturn – “that it can only be followed if you let yourself be swept up in the madness” – but that it doesn’t work. That it has a repellent effect. Cor eats a few times, borrows a pair of Nikes, and a winter coat. After that, I hear nothing more. A month later, he is out of the house, which neighbors call “The Cave,” which is crammed with the garbage he takes from the garbage cans. There has been a fire.

Now and then I see Cor, strolling and shuffling, on the street. Shaky past the V&D and Hema department stores. First papers and belongings are carried in a black certificate case, later in plastic bags. Armed with his sunglasses, avoiding contact, so do I. When I speak to Daan a year later, he says he no longer wants to see Cor. “You know Huub, Cor is a real junkie. When he comes by, it’s all about money. “It hits me. If Daan doesn’t want anything more to do with Cor, who does? What Hans Sleutelaar has meant for Cor’s literary work, Daan is for his private life, a source of support through thick and thin. Later he confesses to me that he drifted back and forth in his connection with Cor just as I experienced it.

In 1990, “Sampleton” poems will be published. Like all his other work, this bundle was “delivered” by Sleutelaar. It reminds me of the role Allen Ginsberg played in arranging the havoc that made up William Burroughs’ work. Without that help, he too was unintelligible.

In an article about the documentary “EXITing”, which was made in the last year of his life, I read about the reluctant attitude of his environment to cooperate. I recognize the will to support and understand Cor, with respect for his past. The program makers have only recently come to know him up close, not yet realizing that the unwillingness of Cor’s environment is a fatigue phenomenon. Too often Cor thought that he could make anything, but that was not the case. There were limits. The question remains whether he ever came to that realization. Due to his isolation, he became entangled in his self-images, no longer knew who or what he was. He became more and more estranged from people, from the moment I met him. With that, he had come to an end, as an archetype of doomed poets. Baudelaire, Rimbaud, Verlaine, Vaandrager. Without brakes, desperately optimistic, “Full Speed ​​Ahead”. Writing seemed more important than life, but life itself has slowly but surely torn to shreds that form of literature, that “false paradise”. Then nothing is left but to live your legend.

Until the last he seems to have been busy with tracing and recording reality, now also literally reading on cobblestones, lamp posts, and asphalt. As a last point of reference? He has always cultivated that drive and can be found in a poem like Starpiepel from Metalon: “”All-stars work / you better.” But who did he still do it for? Maybe that doesn’t matter. He wrote and could not resist. When you see the last photos of him, it looks like he had found some kind of peace in the street despite the hard daily life. No longer a place to dream, but experiencing reality with a new freshness. Finished its part.

On March 18, 1992, Cor Vaandrager dies of pneumonia in the Dijkzigt hospital, aged 56. Cor has already been buried and is commemorated in the media when I hear the news. Despite the distance that has arisen, I still feel touched. His sudden death preoccupies me. It hurts me despite everything. It even seems to become an obsession, the riddle of an important passer-by. I read all the articles I can get my hands on. They are sad stories. About his promising debut, his uncompromising life, about the eternal come-backs, and the inevitable decline – a self-chosen fate.

Nevertheless, there are also happy notes. Cor could sometimes be funny with personal humor: Frans Vogel knocking on Cor’s door because the bell didn’t work. After some banging, Cor opens the door and says, “Well, you have to do something to get that No-Bell prize.” Yet the tendency remains to say: ‘Cor, Cor, Cor, couldn’t it be any other way? No, there was no other way. Cor was Cor and no other. A giant? The Giant of Rotterdam? Yes, but no Giant who was struck down by The Little People, those who knew better the way to success. More like a Giant that was felled by the reality behind the Myth: the inability and loneliness and thus the vulnerability of a Rotterdam man.


12 thoughts on “Avonturen met Cornelis Bastiaan Vaandrager. 1976-1993.

  1. Willem Kars likes your post.

  2. Wat een triestheid. Dank voor je verhaal.

  3. Lluís Bussé liked your post.

  4. Leon van Bokhorst vindt dit geweldig.

  5. Mooi geschreven zie het zo voor me.

  6. Geweldig stuk om te lezen! En wat heb je een mooie schrijfstijl. Wederom dank voor het delen; ik kijk uit naar de volgende. Je bent een echte verhalenverteller, puttend uit een enorm kleurrijk leven en talloze bijzondere ervaringen en belevenissen. Althans, dat gevoel krijg ik erbij. Boeiend! Heb een mooie zondag!

  7. Dat las lekker weg Huub. Wat een figuur was me dat toch ook hé… het is je wel heel goed bijgebleven allemaal.

  8. Martijn Heesakkers vindt dit leuk.

  9. Marco Raaphorst vindt dit leuk.

  10. Carola de Jonge vindt dit leuk.

  11. Dank je wel Huub, voor dit kleurrijke en empathische kijkje in de Rotterdamse schrijverswereld van de jaren zeventig-tachtig. Een geweldige en heerlijke vertelling. Lof voor je openhartigheid over je ambivalente verbinding met CBV waarbij je ook je eigen twijfel indringend toont – zonder Cor maar een moment af te vallen.
    … ik kom er nu pas achter dat je saxofoon speelt 🙂

  12. Dankjewel Stan, voor je treffende analyse. Goed om te horen. Tja, saxofoon. Ook nog een tijdje gespeeld in de Big Band van Gilius van Bergeijk in Den Haag. Uiteindelijk toch aan de wilgen gehangen. 40 jaar geleden. Net als de fotografie en decorontwerp. Maar af en toe kan ik het niet laten wat te spelen met die materie, zoals met dit: https://huubkoch.wordpress.com/2020/04/03/rendezvous-a-la-rue/

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this:
search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close