Het leven van alledag kent een weergaloze schoonheid


ENGLISH TRANSLATION BELOW.


Du moment dat ik de vrouw herkende waren de deuren van de stadsbus dicht geklapt. ‘U bent toch de dichter?’ had ze gevraagd, terwijl ze mij onderzoekend aankeek. Het duurde even voor ik me haar herinnerde. Zojuist was ze op haar bestemming aangekomen. Ze was uitgestapt in Groenoord, de nieuwbouwwijk waar ook mijn ouders woonden, de bus trok op en reed onverstoorbaar verder. Mijn groet en herkenning konden haar nog net bereiken. We zwaaiden bedachtzaam.

De dichtbundel was net verschenen, juni 1975, toen op een regenachtige zaterdagmiddag deze vrouw van middelbare leeftijd bij mij aanbelde. Ze had lang grijs haar en droeg een blauwgrijze uitgezakte wintertrui, wellicht al lang niet gewassen. Ik had haar over de Achterweg zien lopen, op weg naar huis vanaf mijn fiets. Het krantenartikel in haar linkerhand viel me op. ‘Die moet bij mij zijn.’

Amper thuisgekomen klonk de bel. Eenmaal binnen vroeg ze of ze hier wel aan het goede adres was. Mijn interieur zag er bizar uit voor iemand die niet bekend was met een kleurrijke, romantische, hippie-achtige stijl van wonen. Een trippaleisje met Oosterse tapijten en Indiase shawls aan de muur, en lage stoelen en matrassen op de grond. Nerveus vroeg ze verder: ‘dit is toch geen sexclub of zo?’

Ik stelde haar gerust en had een kopje thee ingeschonken. Daarna voelde ze zich wat meer op haar gemak. Onwillekeurig dacht ik aan de avond dat de gepensioneerde zwerver Henk, de eerste bewoner van dit kraakpand, spontaan langs kwam om te zien hoe de inrichting er na zijn verhuizing uitzag. ‘Wat een rook, het lijkt hier wel een opiumkit’ ging hij vrijwel direct tekeer met harde stem. Trok daarna één van zijn klompen uit om woedend zijn verontwaardiging kracht bij te zetten, als antwoord op de gastvrijheid die blijkbaar niet helemaal aansloot bij zijn verwachtingen. Twee potige vrienden die ook op bezoek waren sprongen overeind en brachten Henk vriendelijk maar dwingend naar de voordeur. Mokkend droop hij af: ‘stelletje-langharig-werkschuw-tuig.’

‘Wat wonderlijk dat er jonge mensen zijn die zo denken, dat wist ik niet.’ Ze wees verrukt op de kop van het krantenartikel over de dichtbundel: ‘Het leven van alledag kent een weergaloze schoonheid’ stond paginabreed boven de tekst. Zelf schreef ze ook gedichten. Die waren in Libelle en het Stadsblad gepubliceerd, daar was ze best trots op. ‘Het gedicht over de brand in het tuinhuisje viel niet in goede aarde. De mensen begrepen het niet.’ Ze trachtte een blik van herkenning te bespeuren in mijn ogen.

Ik zweeg, wilde voorzichtig een begin maken met te vertellen wat er in me op kwam: ‘Een lastige kwestie. Het punt zit hem hier in – er is een verschil. De toon die je aanslaat. De taal die je gebruikt. Op welke wijze je werkt. Hoe je denkt of doet. Wat er moet of mag. En wat je wilt weten, of niet. Daar zit hem de kneep. Daar kan dan iets insluipen. Een wirwar van woorden. Creatieve chaos. Onduidelijkheid. Te grote woorden, verkeerd of misplaatst. Wat was nu het punt? – Ik gebruikte teveel beelden in één gedicht – dat ontdekte ik donderdagavond om kwart over tien, tijdens een Masterclass gedichten schrijven. Mijn gedicht voor die avond was net gefileerd. De 7e versie. Vier strofen onleesbaar, op twee zinnen na. Ik las op verzoek de oorspronkelijke versie voor. Helemaal helder. Een golf van opluchting stroomde door het lokaal.’

‘Hmmm, dit komt door angst voor toegankelijkheid. Jij werkt nu van buiten naar binnen. Doe het eens anders, begin met de kern. Herkenbaarheid verleidt lezers tot lezen, pas daarna toon je iets verrassends of spannends. Laat de lezer alle hoeken van de kamer zien. Wees niet bang voor het gewone’ zei mijn docent.
Het is dit moment dat nagalmt. Vlak voor de bom barst is de spanning het hoogst. Omdat het iets raakt. De blinde vlek. Een zeurende pijn. Je wilt graag dat mensen je begrijpen. Dan moet je weten tegen wie je het hebt. Verwarring, dat moet eruit. Een kwestie van keuzes: één pet op. Niet tien tegelijk. Wie wil ik zijn? Voor wie? Wanneer en waarom? Wat zou jij doen? Duidelijk en helder. Straight to the Point. Heel erg gewoon. Maar kun je jezelf zien zonder spiegel? Het is me zelden gelukt. Toch, het gebeurt, soms, heel onverwacht.’

Ik zweeg nog steeds. Voor ik mijn gedachten kon vertalen naar woorden verbrak zij de stilte. ‘Na de brand in het tuinhuisje was ze in ‘Joris’ opgenomen. Nee, het was niet de eerste keer. Ze was nu al drie keer beland in dat psychiatrisch ziekenhuis in Delft.’

De plek was mij niet onbekend, twee andere buurbewoners had ik daar kort geleden bezocht. Depressie heette de diagnose. Maar wat betekent dat eigenlijk? Ik wist niet beter dan dat mijn kennis Willem een aimabel mens was. Zelfde leeftijd, en nu?

De oprijlaan. De balie met de secretaresse. De broeder die mij had opgehaald voor het bezoekuur. Twee gesloten deuren en lange gangen was ik gepasseerd, daarna kwam de ontvangstkamer. Door een raam zag ik mannen en vrouwen in een traag tempo doelloos door een tuin wandelen. De somberte die Willem uitstraalde was nieuw voor me. Het enige wat hij kwijt wilde was dat hij zich schaamde, vreselijk zelfs. ‘Of ik niet liever weg wilde gaan. Het was aardig dat ik was langsgekomen. Die moeite was hij niet waard’. We zwegen en dronken thee. Tot een bel liet weten dat de tijd voorbij was.

‘De opnames waren voor haar eigen veiligheid’ had de dokter gezegd. ‘Haar moeder had een leven lang in inrichtingen doorgebracht. Nee, dat zou haar niet gebeuren. Het lastige was alleen dat ze haar gedachten konden lezen. Misschien konden ze zelfs van een afstand ideeën in haar hoofd stoppen. Ja, daar raakte ze soms van in de war, van die gedachte. Dan wist ze niet meer wie ze was en vergat in de tussentijd dat er nog soep op het vuur stond. Net als die dag in het tuinhuisje. Een gedicht schrijven over hoe ze zich voelde leek dan het enige dat nog zin gaf aan haar leven. Vandaar dat ze mij was komen opzoeken. Omdat mijn gedichten zo positief waren. Zulke gevoelens kende ze wel, maar de angst, de uitzichtloosheid en de zwaarte overheersten die lichtheid bij haar.’

Ze waarschuwde mij voor vage figuren die alles in de gaten houden. Ik moest dit niet te licht opvatten. De overheid? De veiligheidsdiensten? ‘De wereld zit vol met dichters. Ze lopen gevaar. Iedereen wil ze voor hun wagentje spannen en daarna danken ze je af. Cultuur in verkeerde handen is niets dan een smeermiddel.’

Ik herkende de toonzetting van een vrijdagmiddagborrel drie jaar eerder. Mijn Communistische schoolvriend Gerbrand had me in bijzijn van zijn Stalinistische vader en diens Groninger kameraad Fré Meis gewezen op een tekst: ‘De dichter moet velerlei, en door velen gekoesterde, reserves overwinnen. Hij zou de indruk kunnen wekken alles beter te weten en zijn mening beter onder woorden te brengen dan anderen. Minder enthousiast zijn voor routineklussen als colportage of het opzetten van buurtacties. Hij zou er moeite mee kunnen hebben zijn belangrijkste verworvenheid, intellectuele vrijheid, aan de wilgen te hangen ter wille van een politiek besluit. Hij was doorgaans van een verkeerd soort afkomst. Had weinig soberheid gekend, misschien zelfs wel in luxe geleefd.’ Na drie Berenburgers had Gerbrand me apart genomen en van commentaar voorzien: ‘als de wereldrevolutie komt – en ik als artistiekeling van geen betekenis zou zijn met mijn bijdragen, ten slotte werd ik ook nog bestempeld als revisionist – zouden zij hoe dan ook geen kogel aan me spenderen. Ook kogels kosten geld.’ Hij glimlachte, knipoogde, zuchtte diep – op de mij vertrouwde grommende wijze – niet zonder enige compassie.

Het klokkenspel van de grote kerk liet weten dat het zes uur was. De vrouw kreeg iets gejaagds, bedankte me voor de thee en het gesprek. Haar gezicht vertoonde een trek die ik niet thuis kon brengen. ‘Dag dichtertje’ zei ze, vlak voor de deur in het slot sloeg.


wallpainting

Everyday life has unparalleled beauty

The moment I recognized the woman the doors of the city bus were closed. “You’re the poet, aren’t you?” She asked, looking at me intently. It took me a while to remember her. She had just arrived at her destination. She got off in Groenoord, the new housing estate where my parents also lived, the bus pulled up, and drove on unperturbed. My greeting and recognition could barely reach her. We waved thoughtfully.

The collection of poems had just been published, in June 1975, when on a rainy Saturday afternoon this middle-aged woman rang the bell. She had long gray hair and was wearing a blue-gray sagging winter sweater, perhaps not washed for a long time. I had seen her walking down the Achterweg on the way home from my bicycle. The newspaper article in her left hand caught my eye. “She must be with me.”

The bell rang while I was barely home. Once inside she asked if she had come to the right place. My interior looked bizarre to someone unfamiliar with a colorful, romantic, hippie style of living. An acid palace with Oriental carpets and Indian shawls on the wall, and low chairs and mattresses on the floor. She asked nervously: “This isn’t a sex club or something, is it?”

I reassured her and poured a cup of tea. After that, she felt a little more at ease. Involuntarily I thought of the evening that the retired vagrant Henk, the first occupant of this squat, spontaneously came by to see what the interior looked like after his move. “What a smoke, it looks like an opium kit here,” he went on almost immediately in a loud voice. Then took off one of his clogs to furiously add to his indignation, in response to the hospitality that apparently did not quite meet his expectations. Two sturdy friends who were also visiting jumped to their feet and led Henk to the front door in a friendly but compelling way. He sulked: “a bunch of long-haired work-shy scum.”

“How wonderful that there are young people who think that way, I didn’t know.” She pointed delighted at the headline of the newspaper article about the poetry collection: “Everyday life has unparalleled beauty” was written page-wide above the text. She also wrote poems herself. They were published in the ladies magazine Libelle and the local Stadsblad, she was quite proud of that. “The poem about the fire in the garden shed was not well received. People didn’t understand. “She tried to find a look of recognition in my eyes.

I paused, carefully starting to say what came to mind: “A tricky issue. The point is here – there is a difference. The tone you use. The language you use. How you work. How you think or act. What must or may. And what you want to know or not. There is the rub. Something can creep in there. A jumble of words. Creative chaos. Uncertainty. Words that are too big, wrong, or out of place. What was the point now? – I used too many images in one poem – I discovered that on Thursday evening at a quarter past ten, during a Masterclass writing poems. My poem for that night had just been filleted. The 7th version. Four stanzas illegible, except for two sentences. I read the original version upon request. Completely clear. A wave of relief flooded the room. ”

“Hmmm, this is due to a fear of accessibility. You now work from the outside in. Do it differently, start with the core. Recognizability seduces readers to read, only then do you show something surprising or exciting. Show the reader all corners of the room. Don’t be afraid of the ordinary, “my teacher said.

It is this moment that echoes. The tension is highest just before the bomb bursts. Because it hits something. The blind spot. A nagging pain. You want people to understand you. Then you need to know who you are talking to. Confusion, that has to get out. A matter of choices: one hat on. Not ten at a time. Who do I want to be? For whom? When and why? What would you do? Be clear. Straight to the point. Use common sense. But can you understand yourself without a mirror? I have rarely succeeded. Still, it happens, sometimes, very unexpectedly. ”

I was still silent. Before I could translate my thoughts into words, she broke the silence. “After the fire in the garden shed, she was admitted to “Joris”. No, it was not the first time. She had already ended up in that psychiatric hospital in Delft three times.

The place was not unknown to me, I had recently visited two other neighbors there. Depression was the diagnosis. But what does that actually mean? I knew no better than that my acquaintance William was an friendly person. Same age, now what?

The driveway. The desk with the secretary. The brother who picked me up for visiting-hour. I passed two closed doors and long corridors than came to the reception room. Through a window, I saw men and women walking aimlessly through a garden at a slow pace. The gloom that William radiated was new to me. All he wanted to say was that he was ashamed, terribly even. “If I wouldn’t rather leave. It was nice that I stopped by. He was not worth the effort”. We were silent and drank tea. Until a bell announced that the time was up.

“The hospitalizations were for her own safety,” the doctor had said. “Her mother had spent a lifetime in institutions. No, that wouldn’t happen to her. The tricky part was that they could read her mind. Maybe they could even put ideas into her head from a distance. Yes, that thought sometimes confused her. Then she no longer knew who she was and in the meantime forgot that there was still soup on the fire. Just like that day in the garden shed. Writing a poem about how she felt seemed the only thing that gave meaning to her life. That’s why she came to see me. Because my poems were so positive. She knew such feelings, but the fear, the hopelessness, and the heaviness dominated that lightness in her.”

She warned me against vague figures watching everything. I shouldn’t take this too lightly. Government? The security services? “The world is full of poets. They are in danger. Everyone wants to put them in front of their cart and then they discard you. Culture in the wrong hands is nothing but a lubricant.”

I recognized the tone of a Friday afternoon drink three years earlier. My Communist school friend Gerbrand had pointed out a text to me in the presence of his Stalinist father and his Groningen comrade Fré Meis: “The poet must overcome many reserves, cherished by many. He might give the impression that he knows everything better and expresses his opinion better than others. Being less enthusiastic about routine jobs such as canvassing or setting up neighborhood campaigns. He might find it difficult to dismiss his greatest achievement, intellectual freedom, for the sake of a political decision. He was usually of the wrong kind. Had known little austerity, perhaps even lived in luxury. ”After three Berenburger drinks, Gerbrand had taken me aside and commented: if the world revolution comes, and as an artist, I would be of no significance with my contributions, in the end, I was still something like a revisionist – they wouldn’t spend a bullet on me anyway. Bullets cost money, too. “He smiled, winked, sighed deeply – in the usual growling manner – not without compassion.

The chime of the main church indicated it was six o’clock. The woman got a little rushed, thanked me for the tea and the conversation. Her face had a look I couldn’t identify. “Goodbye poet,” she said, while the door slammed shut.


2 thoughts on “Het leven van alledag kent een weergaloze schoonheid

  1. Lluís Bussé liked your post.

  2. Mooi verhaal voor het ontbijt op deze zondag.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this:
search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close